
Zou je daar niet mee wachten, Goedele?
Dat was de meest gestelde vraag toen ik drie jaar geleden zei dat ik een boek ging uitgeven. Verdriet en pijn van me afschrijven, was een ongelooflijk natuurlijk proces vlak na het overlijden van Sieg. Het boek schreef zichzelf. En inderdaad: het lag twee jaar na zijn ongeluk in de boekhandel. Rauwe rouw, vers verdriet.
Waarom kreeg ik zo vaak het advies om te wachten met het uit te geven? En waarom verschijnen de meeste verhalen ook pas zo’n 5 à 10 jaar na de traumatische gebeurtenis? Omdat we dan zaken anders verwoorden? Minder scherp? Omdat het snijdende verdriet botter wordt door de slijtage van de tijd?
“Wil je met me rouwen?” is het relaas van alle emoties en gedachten van een weduwe die achterblijft met twee jonge kinderen vlak na het verschrikkelijke ongeluk van haar geliefde echtgenoot. Mijn relaas, mijn verhaal vanuit mijn perspectief. Hoe kan het ook anders? En dus ook mijn pijn en verdriet. Is dat egoïstisch? Is dat te confronterend? Is dat onfair tegenover alle anderen die Sieg lief hadden of tegenover alle warme handen om me heen? Ik weet het niet.
Nu, vijf jaar na zijn overlijden, las ik mijn boek nog eens opnieuw. Om te ontdekken of ik het nu anders zou aanpakken? Om zwart op wit te lezen of ik beter zou gewacht hebben. Of ik zinnen zou schrappen, zwarte randen van pijn zou laten vervagen? Minder boosheid ook zou laten doorschemeren? Of ik woorden zou laten landen op zachtere vangnetten? Het antwoord moet ik schuldig blijven.
Het valt me vooral op dat er een enorme eenzaamheid tussen de pagina’s zit. Ik sta alleen met dat intens verdriet. De pijn van de eenzaamheid snijdt zelfs voor mij, degene die het niet alleen na die jaren nog eens leest, maar de ik-persoon zelf is. Het is een opluchting dit gevoel te herkennen bij Maud Vanwalleghem in “Hector was hier”. Het boek over haar zoontje dat een maand na zijn geboorte stierf aan een zeldzame stofwisselingsziekte. Ze publiceerde haar verhaal ook ongeveer twee jaar na diens overlijden. Misschien zijn haar woorden net daarom scherp genoeg om als (h)erkenning te voelen. Ze schrijft dat ze enorm eenzaam was en dat ze dat nu nog steeds op een bepaalde manier is. “Rouw en trauma zijn de meest eenzame gewaarwordingen die een mens kan ervaren. Het onuitspreekbare sluit je op in jezelf. Het is het geheel aan sensorische details dat nooit overgedragen kan worden aan iemand anders, een lijfelijke totaalervaring die vroeger, nu en morgen overspant en die niemand anders kan ervaren zoals jij dat doet. … De eenzaamheid van rouw en trauma wordt een realiteit die zich in de waarneembare wereld manifesteert. Er wordt uitgegaan van jouw veerkracht, een makkelijke manier van denken die de omgeving toestemming geeft om zich te ontslaan van hun verantwoordelijkheid naar jou toe.”
Ik herken er zoveel in al wil ik bovenstaande zin wel nuanceren. Ik had en heb een ongelooflijk warm vangnet rond me. Alleen zorgden de mensen om me heen voor het verschil tussen overleven en niet meer kunnen leven. Ik ben hier nog omdat ik goed omringd was, maar de eenzaamheid dringt door alle knuffelende armen en helpende handen door. Wat had ik graag gehad dat er tijdens dat eerste jaar na Sieg’s overlijden iemand in een schuifje zat dat ik zomaar – altijd, op elk moment van de dag en de nacht - kon openen wanneer het nodig was. Even tegen iemand leunen, even een gesprek, even aanwezigheid, even zorgen overnemen op zovele momenten dat ik alleen sterk was aan het wezen. En nog steeds probeer te zijn.
In de herfstvakantie gingen we voor de tweede keer met ons drie op reis. Ik wilde verbinden met mijn jongens. Een driehoek in plaats van “team4ofus”. Het werd veel pittiger dan gedacht. De eenzaamheid overviel me als enige volwassene in het all inclusive hotel in Spanje. Geconfronteerd met geannuleerde excursies en bijhorende teleurstellingen omwille van het noodweer, met een handdoekenoorlog waarvan ik de regels niet kende, met opdringere Engelsen die willen poolen aan de tafel waar mijn zonen bezig zijn. Wij, een één-oudergezin en dus geen drukke grote Hollandse familie, geen stoere vader die van zich afbijt, … enkel twee pubers en een moeder die drinken haalt en wisselgeld. Ik kwam mezelf en de eenzaamheid meermaals tegen.
Nochtans is doorgaan de enige weg voorwaarts, door de eenzaamheid, dwars door alle emoties. “Je moet niet de ander laten gaan, maar jezelf”, conform de rationele benadering van de Stoïcijnen. Zoeken waar je uitkomt en niet proberen terug te keren naar hoe het was. Ik las het ook in “Elders” van Ilse Josepha Lazaroms: “durf jezelf toegeven dat het leven verdergaat ook zonder die geliefde mens, dat daar waar je het minst naartoe wilt, naar de toekomst, dat in dat duister de uitweg zit.” Ga in de pijn en in het verdriet staan. Laat het toe. Maar wel met de hoop dat er licht zal komen.
